Ik voel me zo vreemd, zegt hij, op mijn vraag hoe hij zich voelt.
Het is de derde keer dat hij bij mij komt voor gesprekken
over de rouw die hij ervaart na de dood van zijn vrouw. De vorige twee keren
heeft hij me verteld hoe gelukkig hun huwelijk was, hoe overweldigend haar
ziekteproces en het sterfbed. Ze overleed bijna twee jaar terug.
Zij was sterk en zelfstandig. Net als hij. Ze waren in de veertig
toen ze elkaar leerden kennen. Hij was eerder getrouwd geweest en gescheiden,
zij had nog niet eerder een betekenisvolle relatie gehad. Beiden hadden ze een
goede baan binnen het bedrijfsleven. Hij solliciteerde bij het bedrijf waar zij
werkte en kwam haar tegen bij het inwerkproces. Hij was direct van haar onder de
indruk. Na een paar gesprekken bij de lunch in de kantine vroeg hij haar of ze
zin had in een kop koffie. Jazeker, zei ze, ik haal wel even. Hij schoot in de
lach. Ze lachte mee toen hij uitlegde dat hij haar graag buiten het bedrijf
wilde ontmoeten. Een heerlijke lach, zei hij erbij.
Na twee jaar gingen ze samenwonen. Het ging goed. Ze hadden
een mooi leven samen, en genoten volop.
Richting haar pensioen kwam daar verandering in. Ze kreeg
pijn in haar buik. Een ander voedingspatroon hielp niet. De huisarts verwees
door voor onderzoek. Het bleek foute boel. Kanker.
Een chemokuur, bestralingen, een operatie, het mocht niet
baten en ze stierf. Hij stond haar bij, en regelde alle hulp die ze nodig had
zodat ze thuis kon sterven.
Na haar overlijden regelde hij verder: de begrafenis, de nalatenschap,
afspraken met vrienden en familie. Na een maand ging hij weer aan het werk. Het
thuiskomen in het stille huis was moeilijk, maar het ging. Elke week ging hij
eten bij zijn zus en zwager, hartverwarmend, vertelde hij.
Langzamerhand werd het stiller om hem heen. Tot het bijna
niet meer te dragen was en hij, via de huisarts, bij mij terecht kwam om te
praten. Dat vindt hij moeilijk: van nature geen prater.
Hij voelt zich vreemd. “Nee”, zegt hij, “dat is niet correct
omschreven. Ik voel me vervreemd.”
“Waarvan?” vraag ik. Hij vindt het een goede vraag. En moet
even nadenken. Ik geef hem nog een kop koffie.
“Van andere mensen. En van mijzelf.” Er valt een stilte.
Zijn gezicht vertrekt. Ik zie een immense pijn.
Hij probeert uit alle macht zich in te houden, maar dan
roept hij het uit: “En van haar! Ik weet haar stem niet meer!” Hij huilt. Het klinkt
alsof zijn hart breekt. Het doet mij zelfs pijn.
Als het na een minuut of zes stokt, fluistert hij “Waarom moest
zij nou toch doodgaan? Ik weet niet meer hoe ik verder moet.”
Het blijft nog even stil. Hij snuit zijn neus. “Mag ik wat
water?” Natuurlijk.
Na nog wat stilte zegt hij dat hij al die tijd niet zo heeft
gehuild. Dat hij doodmoe is. Maar wel opgelucht.
“Dankjewel”, zegt hij, “dat je mij laat huilen.”
-----------------------------------------------------------------------------------
Er is plaats voor nieuwe cliƫnten in mijn praktijk!
www.stoftotnadenken.net