Vanmorgen bracht ik jouw Grijze Dame weg.
Het voelde of ik opnieuw achter jou aanreed, achter de
begrafenisauto.
Zwaarte in de benen, zwaarte in het hart.
Een onherroepelijke gang.
Ik aaide tijdens het rijden de stoel naast mij en noemde je
naam.
“Ik vind het zo erg”, zei ik. “Het spijt me zo.”
Tussen Witharen en Ommerschans zag ik iets in de ster.
Een paardenbloempluisje… zachtheid.
Natuurlijk. Jij had me wel begrepen. Net als altijd.
Als ik ergens mee worstelde: een relatie die niet liep, werk
dat me dwars zat, iets wat er gebeurd was en dat ik niet kon plaatsen.
De zachtheid waarmee jij mij vasthield. Mij bekeek. Mij
aankeek.
Mij zag.
De Grijze Dame in de verkoop. Waarvan we altijd zeiden dat
we dat nooit zouden doen.
Nee, “we” zouden dat niet doen.
Maar ik alleen kan haar niet houden.
Ze drinkt teveel en te duur, ze wil aandacht en zorg die jij
met liefde bracht, maar die ik niet op kan brengen.
Het is niet leuk zonder jou.
Ik hoop met mijn hele hart dat er een derde eigenaar komt
die net zo geniet van jouw Grijze Dame als wij het samen hebben gedaan.
Die er mee gaat rijden, gewoon, lekkere ritjes.
En die handige handjes heeft, om goed voor onze Dame te
zorgen.
Ik ben blij dat jij dit zelf niet hebt hoeven doen, Bert.
En ik ben blij dat je mij even wat zachtheid stuurt, want
wat zal ik onze Dame missen.
Ze was echt een deel van jou.
Stuur nog even een liefhebber als je wilt, ja?
